
In 2001 werd door de Europese Commissie besloten dat in de toekomst op ieder veertiende sigarettenpakje de contactinformatie (waaronder het telefoonnummer) moest komen van een lokale stoppen-met-rokenhulplijn. In de periode hierna is door de deelnemende landen wetgeving ontwikkeld en zijn de verpakkingen met deze informatie op de markt verschenen. In dit onderzoek werd geanalyseerd wat het effect van de invoering van deze maatregel is op het aantal bellers naar de stoppen-met-rokenhulplijnen. Hiervoor zijn trendanalyses uitgevoerd op het wekelijks aantal bellers naar ieder van de zeven deelnemende hulplijnen uit evenzoveel landen.
Er is gekeken naar het effect van deze maatregel in het eerste en het tweede jaar na invoering. In bijna alle gevallen werd er gevonden dat in het eerste jaar na de invoering van de telefoonnummers op de pakjes er een sterke verhoging van het aantal telefoontjes meetbaar was. In het tweede jaar na invoering was dit effect al een stuk minder sterk, hoewel nog altijd significant.
Tussen de deelnemende landen waren de verschillen in impact nogal groot, zowel voor wat betreft absolute aantallen bellers, als relatief ten opzichte van het eerdere aantal bellers naar de hulplijn. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat in het ene land de stoppen-met-rokenhulplijn al erg bekend was tijdens de introductie van de nieuwe verpakkingen, terwijl dit in het andere land veel minder het geval was en de contactinformatie op de pakjes voor de meeste rokers dus als nieuws kwam.
De conclusie van dit rapport is dat het afdrukken van telefoonnummers van stoppen-met-rokenhulplijnen in ieder geval effectief is in het vergroten van het aantal bellers tot in het tweede jaar na introductie. Dit effect wordt echter wel kleiner over de tijd, en het is dus onduidelijk of het blijvend is. Een interessante vraag is of het effect kan worden versterkt of verlengd door het vaker of in wisselende vorm aanbieden van de contactinformatie op sigarettenverpakkingen.
Financiering: EU / STIVORO
Samenwerking: ENQ / AIAR
Meer informatie: rapport
Contactpersoon: Regina van der Meer
Tussen 2000 en 2004 heeft STIVORO zich bezig gehouden met het invoeren van de bewezen effectieve Minimale Interventiestrategie Stoppen-met-roken (MIS) op verpleegafdelingen cardiologie (C-MIS) en in verloskundigenpraktijken (V-MIS). Het proefschrift beschrijft onderzoeken die gedurende en vlak na deze periode zijn uitgevoerd om de mate en kwaliteit van het gebruik van de C-MIS en de V-MIS in de praktijk te peilen en de factoren te identificeren die succesvolle adoptie (het vormen van een positieve houding ten aanzien van de interventie) en implementatie (het daadwerkelijk uitvoeren van de interventie) in de praktijk stimuleren of belemmeren. Voor de identificatie van mogelijke beïnvloedende factoren is gebruik gemaakt van een uitgebreid onderzoeksmodel voor het verklaren van gedragsverandering; het Integrated Change Model.
Er is nog een hoop winst te behalen in het gebruik van de MIS, zowel door het vergroten van het aantal zorgverleners dat de MIS toepast als door het verbeteren van de consequentheid en volledigheid waarmee de MIS wordt toegepast. Bij adoptie blijken andere factoren een grote rol te spelen dan bij implementatie. Om het aantal zorgverleners dat de MIS gebruikt te vergroten kunnen het beste adoptiestrategieën worden gebruikt die zich richten op het verhogen van de motivatie en intentie, door het vergroten van kennis over de werkwijze, het versterken van de verwachte voordelen van de MIS, het verminderen van de verwachte nadelen van de MIS en het vergroten van verwachte positieve normen en steun in de sociale omgeving. Voor het verbeteren van de toepassing van de MIS is het erg belangrijk om ervoor te zorgen dat zorgverleners voldoende vaardigheden hebben om alle onderdelen van de MIS toe te passen en vormt het gebruik van een kaart waarop alle stappen van de MIS staan aangeduid en waarop de uitgevoerde onderdelen van de MIS kunnen worden geregistreerd (interventiekaart) een belangrijk hulpmiddel. Organisatiespecifieke kenmerken dienen in ogenschouw genomen te worden, maar spelen een minder grote rol dan motivatie kenmerken.
De meeste rokers proberen te stoppen met roken zonder hier hulpmiddelen bij te gebruiken. Een stoppoging heeft echter meer kans van slagen als men wel een hulpmiddel gebruikt. In deze studie werd onderzocht wat de werkzaamheid is van het startpakket voor stoppers, een hulpmiddel waarmee rokers een keuze kunnen maken tussen stoppen-met-rokenmethoden. Het pakket bevat neutrale informatie over verschillende stopmethoden, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen bewezen effectieve en niet-effectieve methoden. De verwachting was dat het startpakket rokers zou motiveren om bewezen effectieve stopmethoden te gebruiken.
1014 rokers die van plan waren om binnen 6 maanden te stoppen met roken, kregen of het startpakket of geen interventie. Zij kregen 2 weken en 6 maanden nadat de startpakketten waren opgestuurd een vragenlijst voorgelegd. Op basis van de antwoorden op deze vragenlijsten, concludeerden de onderzoekers het volgende. Het startpakket voor stoppers zorgde voor meer kennis over stopmethoden en een positievere houding tegenover deze methoden. Een groot aantal van degenen die het startpakket kregen, gaf aan dat ze nu dachten makkelijker te kunnen stoppen en beter konden kiezen tussen stopmethoden. De groep die het startpakket kreeg, gebruikte na 6 maanden niet meer hulpmiddelen dan de groep zonder interventie. Toch waren er meer stoppogingen in de eerste groep en waren er ook meer rokers uit die groep gestopt met roken. De promotie van bewezen effectieve stopmethoden zorgde dus voor meer stoppogingen, zonder dat er meer van die methoden werden gebruikt.
In dit onderzoek wordt het effect van de Europese massamediale ‘HELP-For a life without tobacco’ campagne van 2005 en 2006 onderzocht op het aantal telefoontjes naar de verschillende nationale stoppen-met-roken telefonische hulplijnen in Europa. In de televisiespotjes van de campagne werd het telefoonnummer van de nationale stoppen-met-rokenlijn getoond. Door de extra aandacht voor de Europese stoppen-met-roken telefonische hulplijnen binnen de HELP campagne was de verwachting dat het aantal telefoontjes naar de verschillende nationale stoppen-met-rokenlijnen zou toenemen. Gegevens over het totale aantal telefoontjes per week werden van zeventien Europese stoppen-met-roken telefonische hulplijnen verzameld voor, tijdens en na de HELP campagne. Er is rekening gehouden met het feit dat andere factoren dan de HELP campagne invloed kunnen hebben op het aantal telefoontjes. Tijdreeksanalyse (ARIMA) is gebruikt om het effect van de HELP campagne te bestuderen, terwijl er gecontroleerd werd voor deze andere factoren.
Een kleine, maar significante, relatie tussen de HELP campagne en het aantal telefoontjes naar de stoppen-met-rokenlijn is gevonden voor België, Tsjechië, Denemarken, Duitsland, Ierland, Italië, Luxemburg en Engeland. Meestal zorgde de HELP campagne voor minder dan 1% meer telefoontjes. In België en Italië was dit wat meer, respectievelijk 3,3% en 1,4%. Het effect van de HELP campagne lijkt minimaal. Dit is echter niet verrassend, omdat er geen grote effecten verwacht kunnen worden van een campagne met alleen televisiespotjes; die zich niet alleen richt op stoppen met roken, maar ook op preventie en het vergroten van bewustzijn; en waar geen ‘call to action’ element in zit. Ten slotte kunnen rokers ook gestopt zijn met roken door de campagne maar zonder dat ze een stoppen-met-roken telefonische hulplijn hebben gebeld.
Financiering: EU / STIVORO
Samenwerking: ENQ / AIAR
Meer informatie: rapport
Contactpersoon: Regina van der Meer
Het ESCHER-onderzoek is onderdeel van het European Network of Quitlines (ENQ) project, gefinancierd door de Europese Commissie. In dit project wordt samengewerkt door diverse stoppen-met-rokenlijnen in Europa. Het heeft als doel door samenwerking van elkaar te leren en de dienstverlening te verbeteren. Het ESCHER-onderzoek heeft als doel wetenschappelijk gebaseerd inzicht te verkrijgen in de effectiviteit van stoppen-met-rokenhulplijnen.
Om dit inzicht te krijgen zijn er gegevens verzameld over negen stoppen-met-rokenlijnen en de bellers naar deze lijnen. De kwalitatieve gegevens werden verzameld door het bezoeken van de stoppen-met-rokenhulplijnen. De kwantitatieve gegevens werden verzameld door bellers naar de lijnen die kort geleden waren gestopt of dit op korte termijn van plan waren een vragenlijst af te nemen, en ze twaalf maanden later opnieuw te benaderen voor een nameting. Met behulp van deze gegevens wordt onderzocht hoe succesvol de stoppen-met-rokenhulplijnen zijn in de ondersteuning van het stoppen met roken en op welke manier.
De stoppen-met-rokenhulplijnen verschillen van elkaar met betrekking tot onder andere de doelgroep, organisatie en aangeboden services. Lange termijn stoppercentages (voor alle stoppen-met-rokenhulplijnen samen) kwamen uit op een punt prevalentie abstinentie van 18.2% en een continue abstinentie van 9.4%. Hulplijnbellers bestaan grotendeels uit twee groepen; rokers die hulp zoeken bij stoppen met roken en bellers die al gestopt zijn en hulp zoeken om terugval te voorkomen. Tevredenheid van de bellers over de service was hoog. Voor 83% van de bellers voldeed de service aan hun verwachtingen. Aanbevelingen voor toekomstige verbeteringen van de hulpverlening zijn dat tevredenheid en succespercentages verhoogd kunnen worden door een actieve terugbelservice aan te bieden en bellers te verwijzen naar bewezen effectieve hulpmiddelen.
De conclusie van het rapport is dat het specifieke type service geboden door stoppen-met-rokenhulplijnen aan bellers tijdens het eerste gesprek niet gerelateerd kan worden aan lange termijn stoppen met roken uitkomsten. Belangrijker is of de beller na het gesprek hulp krijgt in de vorm van advies, counseling, groepscursussen of medicatie. Deze typen steun zijn gerelateerd aan stoppen op de lange termijn.
Financiering: EU / STIVORO
Samenwerking: ENQ / AIAR
Meer informatie: rapport
Contactpersoon: Regina van der Meer
