
Het gebruik van tabak is ongeveer 500 jaar geleden ontdekt bij de Indianenstammen in Amerika. Toen ontdekkingsreiziger Columbus aankwam in Amerika, boden de indianen hem gedroogde tabaksbladeren aan.
Voor de indianen was tabak een medicijn en een drug. Iedereen kent de vredespijp, maar tabak werd ook op andere manieren gebruikt, bijvoorbeeld opgerold in bladeren en aangestoken (voorloper van de sigaret), of als een soort kauwgom. Tabak werd gedronken, gelikt, gesnoven, gekauwd en gerookt. Het was een heilig kruid, dat een rol speelde in de Indiaanse traditie.
In 1518 werden de eerste tabaksplanten vanuit Amerika naar Europa gehaald. De tabaksplanten werden verbouwd in Spanje en Portugal. In die tijd werkte de Franse Jean Nicot als ambassadeur in Portugal. Hij stuurde tabak op naar de Franse koningin, als middel tegen de hoofdpijn.
De ontdekking van tabak ging daarna als een lopend vuurtje door de 'beschaafde' wereld. Binnen een eeuw kende heel Europa tabak. De Europeanen rookten vooral pijp en sigaren. Of ze kauwden pruimtabak. Als ze uitgekauwd waren, spuugden ze de tabak op de grond. Later hadden ze daar speciale potten voor. Vrouwen rookten niet, maar snoven. Verpulverde tabak met kruidenaroma was een lange tijd erg chic.
Toch was ook toen al niet iedereen enthousiast over tabak. De Britse koningin Victoria wilde absoluut niet dat er aan het hof werd gerookt. In Rusland was het zelfs strafbaar. Als je werd betrapt, werd je neus afgesneden!

Nu maken sigarettenfabrieken over de hele wereld sigaretten van tabaksbladeren. Ook in Nederland. Die fabrieken maken elk jaar miljarden sigaretten. Een sigarettenmachine kan per minuut 700 pakjes (van 20 sigaretten) maken. Dat zijn 840.000 sigaretten per uur!
In China worden de meeste sigaretten gemaakt. Daarna volgen de Amerikanen met elk jaar 646.000 miljoen sigaretten. In Nederland worden er jaarlijks 15.500 miljoen sigaretten gemaakt.
