Jurisprudentie
Niet-rokers moeten beschermd worden tegen de schadelijkheid van tabaksrook
De aandacht voor 'Roken op de werkplek' is sinds 2000 in een stroomversnelling gekomen
Er waren toen 2 belangrijke kort gedingen:
Twee mensen hadden last van roken. De één op haar werkplek en de ander in een instelling. Beiden eisten ze een rookverbod, en beiden werden door de rechter in het gelijk gesteld: niet-rokers moeten beschermd worden tegen de schadelijkheid van tabaksrook.

In juni 2003 vond een uniek proces plaats. Een werknemer eiste via de rechter schadevergoeding van de werkgever voor het oplopen van gezondheidsschade door meeroken op de werkplek. De eis tot schadevergoeding werd door de rechter gegrond verklaard.

Hieronder vindt u een beschrijving van de drie casussen:
Voor de astmatische Nanny Nooijen, postsorteerder en postbode in Breda, was een kort geding de laatste uitweg uit een situatie waarin het tekortschietende rookbeleid bij PTT Post ten koste ging van haar gezondheid. De wijze waarop zij opkwam voor haar gezondheid, haar weigering zich te laten intimideren door rokende collega's, haar vastbeslotenheid om geen genoegen te nemen met halfslachtige maatregelen en ten slotte haar bereidheid om de zaak voor de rechter uit te vechten, is in de media breed uitgemeten. Met hulp van het Nederlands Astmafonds procedeerde ze. Niemand wist van tevoren hoe de rechter om zou gaan met dit kort geding. De rechter stelde haar in het gelijk: niet-rokers dienen beschermd te worden tegen de schadelijkheid van tabaksrook. Nanny Nooijen heeft als eerste in ons land via de rechter een rookvrije werkplek bij haar werkgever weten af te dwingen.

Nienke Hora Adema spande in 2000 een kort geding aan tegen de epilepsie-instelling Cruquiushoeve. Als bewoner van deze instelling ondervond zij veel overlast van rokende medebewoners. De President besliste in deze zaak dat op de afdeling waar Nienke Hora Adema verbleef een rookverbod moest worden ingevoerd. Omdat het hier ging om een gezondheidszorginstelling kon in deze zaak, anders dan in de zaak Nooijen versus PTT Post, een beroep worden gedaan op de Tabakswet. Op grond van artikel 10 en 11 van de Tabakswet diende de instelling op de woonunits waar Nienke Hora Adema woonde en leefde een algeheel rookverbod in te voeren. In deze zaak ging het om een bewoner. Wanneer een van de personeelsleden de vordering had ingesteld, zou op grond van de Tabakswet vermoedelijk eveneens een algeheel rookverbod zijn uitgesproken.

De zaak 178507 CV 02-2446 was een unieke zaak in Nederland. Voor het eerst werd een werkgever aansprakelijk gesteld voor gezondheidsschade die een werknemer opgelopen heeft door meeroken. Op de afdeling waar deze werknemer werkte, werd veel gerookt. Herhaalde gesprekken met de werkgever leverden niets op. De lichamelijke gesteldheid van de aan astma leidende werknemer ging zodanig achteruit dat ziekenhuisopnames noodzakelijk waren. Uiteindelijk bleek dat de werknemer arbeidsongeschikt geworden was. De werknemer besloot de werkgever aansprakelijk te stellen voor de opgelopen gezondheidsschade door het meeroken en stapte naar de rechter. De kantonrechter stelde de werknemer in het gelijk (17 juni 2003). Hij verklaarde dat de werkgever aansprakelijk is voor de schade die de werknemer heeft geleden, lijdt en zal lijden ten gevolge van het feit dat de werknemer heeft gewerkt op een werkplek alwaar werd gerookt. De werkgever werd veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding.

Het gevolg:
Door de uitspraak van de rechter in 2000 was de kwestie 'rookbeleid, ja of nee?' voor werkgevers al minder vrijblijvend geworden. De zaak uit 2003 maakte de verantwoordelijkheid van de werkgever nog duidelijker. Met de gewijzigde Tabakswet die op 1 januari 2004 is ingegaan is de positie van de niet-rokende werknemer verder versterkt:
  • Wordt een verzoek om een rookvrije werkplek van de werknemer niet gehonoreerd door de werkgever, dan kan de werknemer een klacht indienen bij de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA).
  • De VWA heeft de bevoegdheid de werkgever een boete op te leggen, wanneer deze de werknemer het recht op een rookvrije werkplek ontzegt.
  • Leidt deze sanctie niet tot de gewenste rookvrije werkplek, dan kan de werknemer in het uiterste geval naar de rechter stappen.
Actuele jurisprudentie

 

Rechtszaken kleine café's zonder personeel
Café de Kachel in Groningen en café Victoria in Breda vochten het rookverbod in horeca-inrichtingen zonder personeel aan. De rechtbank Groningen achtte de uitbaters van De Kachel schuldig en legde een boete op (LJN: BH3578, zie www.rechtspraak.nl). De rechtbank in Breda vond dat er sprake was van ongelijke behandeling van horeca mét en horeca zonder personeel en paste de regel op grond waarvan er een rookverbod moest zijn (Besluit Uitvoering art. 3 lid 1a) niet toe (LJN: BH9853).

 

In beide zaken ging men in hoger beroep.
In hoger beroep vinden zowel het gerechtshof Leeuwarden (LJN: BJ1286) als het gerechtshof Den Bosch (LJN: BI3572) dat de verplichting van caféhouders zonder personeel om in hun zaak een rookverbod in te stellen, aan te duiden en te handhaven niet goed gefundeerd is in de Tabakswet: De minister had niet letterlijk een 'rookverbod' mogen opleggen maar alleen de verplichting om het mogelijk te maken om zonder hinder of overlast van tabaksrook van de voorzieningen van het café gebruik te maken en er te werken. Dat zou theoretisch gesproken ook met moderne ventilatietechnieken bereikt kunnen worden. Er volgde vrijspraak.

 

De Hoge Raad verdiepte zich vervolgens in de fundering van Besluit Uitvoering art. 3 lid 1a en kwam onder andere tot de conclusie dat - gezien de parlementaire geschiedenis van de Tabakswet - de bevoegdheid van de minister om letterlijk een 'rookverbod' op te leggen juridisch te billijken is (LJN BK 8211).
De Raad verwees beide zaken terug naar het gerechtshof in Arnhem.

 

Het hof in Arnhem bevestigt de bevoegdheid van de regering om in het algemeen belang wetgeving te maken die het genot van de eigendom van een horecazaak beperkt (niet mogen roken in je eigen zaak). Het verwerpt het beroep van de verdediging op het gelijkheidsbeginsel wegens oneerlijke verschillen tussen horecaondernemers zonder personeel en andere ondernemers zonder personeel; tussen horecaondernemers mét en zonder personeel en tussen grote en kleine zaken, waarvan de kleine moeilijker een rookruimte kunnen maken.
Verder is het rookverbod niet in tegenspraak met EU-regels, zegt het hof. Het is ook in andere EU-landen niet aangevochten. Het hof verwerpt het beroep op overmacht van de verdediging vanwege de veronderstelde dreiging van faillissement wanneer de uitbaters wel een rookverbod zouden instellen en handhaven in hun cafés.
De beide caféhouders worden veroordeeld tot € 1200,- boete. Vanwege het principiële karakter van de zaak wordt geen voorwaardelijke sluiting van een maand opgelegd.

 

Lees hier de uitspraak over café Victoria (LJN: BM8105). De uitspraak over café De Kachel is ongeveer hetzelfde (LJN: BM8103).


 

Inmiddels heeft de minister de tabakswetgeving zodanig aangepast dat er een uitzondering op het rookverbod mogelijk is in kleine cafés zonder personeel.